Antwoorden op vragen over SMR-ontwikkelingen

Op 8 september 2026 heeft onze fractie vragen gesteld over Small Modular Reactor (SMR) ontwikkelingen, naar aanleiding van een memo vanuit het college. Zie hieronder de antwoorden:

1. In het memo staat dat het college kiest voor: ‘waar passend regionaal ondersteunen wanneer
kansen zich voor doen’. Wat voor kansen ziet het college en wat is ‘passend ondersteunen’?

Het college ziet kansen op het gebied van kennisontwikkeling, regionale samenwerking, economische ontwikkeling en de toekomstige energievoorziening van Noord-Holland Noord, waaronder eventuele SMR-ontwikkelingen. Met “waar passend regionaal ondersteunen wanneer kansen zich voor doen” bedoelt het college het waar relevant deelnemen aan regionale gesprekken, het delen van kennis en inzichten en het constructief meedenken over in dit geval SMR-vraagstukken die van belang kunnen zijn voor Hollands Kroon en de regio. Ook kan er worden gedacht aan het steunen van bijvoorbeeld
subsidie- of investeringsaanvragen die een positieve impact kunnen hebben op de regio.

2. Als gemeente Opmeer besluit voor een regionale aanpak te kiezen, ziet het college Hollands
Kroon dan als logische samenwerkingspartner? Zo nee, waarom niet?

Wanneer Opmeer besluit voor een regionale aanpak te kiezen, is het voor het college vanzelfsprekend om eventuele verzoeken tot samenwerking open en constructief te beoordelen. Wanneer zich een concreet initiatief aandient, zal het college beoordelen wat dit betekent voor Hollands Kroon en welke rol en bijdrage passend is.

3. Waaruit blijkt voor het college de faciliterende rol van de provincie?
Dit blijkt onder andere uit het nieuwsartikel van de Energieregio Noord-Holland: IS KERNENERGIE DE TOEKOMST VOOR NOORD-HOLLAND? | Energieregio Noord-Holland

De rol van de provincie
De provincie Noord-Holland ziet haar rol vooral als kennisverzamelaar. Ze wijst geen locaties aan en bepaalt niet of er kerncentrales komen. Wel heeft de provincie invloed op vergunningen en milieuaspecten, zoals natuurbescherming en waterbeheer. “We weten nog niet precies welke vergunningen nodig zijn. Dat wordt onderzocht in een landelijke programma. Zodra hier meer duidelijkheid over is, kunnen we eventueel een volgende stap zetten.” aldus Van der Knaap.

Daarnaast blijkt dit uit de samenwerking die de provincie is aangegaan met Thorizon voor de ontwikkeling van een gesmoltenzoutreactor: Noord-Holland gaat samenwerking aan voor ontwikkeling…

“De provincie ziet de samenwerking als een belangrijke stap voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling op het gebied van nucleaire technologie in Noord-Holland.”

4. In het memo staat: Vragen over kosten, planning, veiligheid, vergunningverlening en effecten op het energiesysteem moeten de komende jaren verder worden beantwoord. Welke vragen heeft het college nog over deze onderwerpen die nog niet beantwoord zijn door de haalbaarheidsonderzoeken in Opmeer, en de Kamerbrieven en routekaart 7GW kernenergie van het Rijk?

Het college ziet daarom nog verschillende vragen waarop naar haar oordeel nog geen definitieve antwoorden beschikbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn:
• de uiteindelijke investerings- en exploitatiekosten van SMR’s in de Nederlandse situatie;
• de planning en realisatietermijnen van eerste commerciële projecten;
• de wijze waarop vergunningprocedures in de praktijk vorm krijgen;
• de gevolgen voor het regionale elektriciteitsnet en de (eventueel) benodigde netuitbreidingen;
• de beschikbaarheid en noodzaak van voldoende koelwater op mogelijke locaties;
• de verdeling van verantwoordelijkheden tussen initiatiefnemers, gemeenten, provincie en Rijk;
• de impact op de leefomgeving en de wijze waarop draagvlak wordt georganiseerd.

 

Het college merkt daarbij op dat veel van deze vragen momenteel onderwerp zijn van landelijke uitwerking door het Rijk, provincies en betrokken toezichthouders. Dit blijkt ook uit de Kamerbrief “Routekaart 7 GW Kernenergie” van 19 juni 2026:

– “Ik heb dan ook afspraken gemaakt met het IPO en de provincies om te starten met potentieonderzoeken, om de toegevoegde waarde van SMR’s in het regionale energiesysteem te onderzoeken. Ik zal de provincies waar nodig ondersteunen bij het in kaart brengen van mogelijke locaties binnen het regionale energiesysteem. In het PEH II, zullen SMR’s in het nationale energiesysteem ruimtelijk onderzocht worden.”

– “Bovendien zie ik dat gemeenten, zoals Opmeer en Den Helder, initiatieven ontplooien. Deze voorbeelden laten zien dat regionale schaal relevant en nodig is, bijvoorbeeld voor het vinden van voldoende afnemers om tot een business case te kunnen komen. De schaalvoordelen zijn makkelijker te vinden op regionaal niveau. Daarom kies ik ervoor om provinciale overheden te ondersteunen in de uitvoering van regionale potentieonderzoeken.”

 

5. Welke kansen ziet het college voor toepassing van SMR’s op specifiek Agriport?

Het college ziet dat Agriport A7 één van de grootste concentraties van energie-intensieve bedrijvigheid in Noord-Holland Noord vormt. Daardoor wordt Agriport A7 in regionale discussies regelmatig genoemd als een locatie waar vraag en aanbod van energie in potentie dicht bij elkaar kunnen komen.
Tegelijkertijd benadrukt het college dat er op dit moment geen concreet SMR-initiatief voor Agriport bekend is. Het college vindt het daarom prematuur om uitspraken te doen over de kansen voor toepassing van SMR’s op specifiek Agriport. Eerst zullen eventuele initiatieven moeten worden beoordeeld op aspecten zoals veiligheid, ruimtelijke inpassing, economische meerwaarde, neteffecten, maatschappelijke meerwaarde en brede welvaart. Dit brengt focus aan en waarborgt dat enkel de meest kansrijke initiatieven worden ondersteund.

 

Met vriendelijke groet,
Burgemeester en wethouders,

H. van der Woude                                                                  A. van Dam
gemeentesecretaris                                                               burgemeester

Ter verbetering van uw gebruikerservaring wordt op deze website van LDA gebruik gemaakt van cookies.