Categorie archieven: Politieke vragen

LDA stelt vragen over stort PFOS-vervuilde grond in Middenmeer

Schiphol heeft deze zomer een nieuwe installatie in gebruik genomen om PFOS-vervuilde grond te reinigen. Op en rond de luchthaven ligt zo’n 200.000 ton grond opgeslagen die met PFOS is verontreinigd. De vervuiling ontstond onder meer door blusschuim dat vroeger bij branden en oefeningen werd gebruikt. Volgens Schiphol ongeveer driekwart worden gereinigd en hergebruikt. Maar een kwart blijft achter als slib met hoge concentraties PFOS: zo’n 50.000 ton restafval, ofwel zo’n 2.000 vrachtwagens.
Dit betekent dat het PFOS-gehalte dat achterblijft in het slib viermaal hoger is dan in de te behandelen grond. Onze fractie maakt zich ernstig zorgen voor de mogelijke gevolgen voor het milieu. De vraag is hierbij niet of het slib volgens de regels wordt opgeslagen. De vraag is wat de gevolgen zijn wanneer opslag tientallen jarenlang moet plaatsvinden. PFOS staat er juist om bekend dat het nauwelijks afbreekt en zich gemakkelijk verspreidt naar bodem, sloten, oppervlaktewater en uiteindelijk grondwater. Het RIVM noemt PFAS en verwante stoffen als PFOS mobiel, persistent en potentieel schadelijk voor mens en milieu.

Onze fractie heeft op 27 maart 2024 vragen (PV-2415) gesteld toen bekend werd dat voor een omlegging van de provinciale weg N501 in de nabijheid van Schiphol grond afgegraven werd omdat deze ook vervuild was met PFOS. Deze grond is afgevoerd naar de locatie van Afvalzorg in Middenmeer. Het gehalte aan PFOS in deze grond is vastgesteld op 250 microgram. Grond heet ernstig verontreinigd bij 59 microgram (59 miljoenste gram) PFOS en moet met speciale vergunningen opgeslagen worden. Deze in de Wieringermeer gestorte grond overschrijdt ruim 4 keer deze norm. Als we dit omrekenen naar het gehalte aan PFOS dat na de reinigingsprocedure in het slib achterblijft is dat 1000 microgram, dus 17 keer hoger. In een ander dossier hebben wij op 10 november 2021 vragen gesteld over het storten van restafval van TATA Steel wat het licht radioactieve en giftige polonium-210 bevat. Hieruit bleek dat het college daarvan niet op de hoogte was maar dat na overleg met de verantwoordelijke instanties het college de toezegging heeft gekregen dat zij bereid zijn hierover afspraken te maken en het college te informeren over nieuwe vergunningen en over wijzigingen in lopende vergunningen.

Dit brengt onze fractie ertoe de volgende vragen te stellen aan het college:

1. Wordt het slib dat achterblijft op Schiphol ook bij Afvalzorg in Middenmeer gestort?
2. Zo ja, bent u daarover geïnformeerd en betrokken bij het opstellen van de benodigde vergunningen?
3. Zo nee, welke actie gaat u ondernemen?
4. Als het slib naar Middenmeer wordt gebracht, worden er dan extra maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat het slib langdurig en veilig opgeslagen kan worden en er geen uitspoeling naar het oppervlakte- en grondwater kan ontstaan?
5. Deelt u onze zorgen over een mogelijke stort bij Afvalzorg?
6. Is er een quotum vastgesteld wat er maximaal aan deze slib opgeslagen mag worden?
7. Bent u bereid de raad jaarlijks te informeren over de meetresultaten naar PFOS in het effluent -het geloosde water- van de opslag bij Avalzorg en in het oppervlaktewater?
8. Bent u bereid de raad actief te informeren, niet alleen over dit dossier maar over alle activiteiten die bij Afvalzorg plaats vinden?

Met vriendelijke groet,
Daan Pruimboom
LDA Hollands kroon

Uitbreiding FrieslandCampina in Lutjewinkel: LDA stelt vragen

Van omwonenden in Lutjewinkel heeft onze fractie gehoord dat FrieslandCampina van plan is uit te gaan breiden. De afgelopen jaren is dit onderwerp meermaals voorbij gekomen in het raadscafé. Hoewel LDA de wens tot uitbreiding begrijpt, maakt onze fractie zich ook zorgen over de verkeerssituatie in Lutjewinkel. Daarom heeft onze fractie behoefte aan opheldering over de plannen en de beoogde oplossingen voor het verkeersprobleem. Ons raadslid Hielko heeft de volgende vragen gesteld aan het college:

 

1. Is het college op de hoogte van de voorgenomen verhoging van de productiecapaciteit van de FrieslandCampina-fabriek in Lutjewinkel van circa 450 miljoen liter melk per jaar naar 600 miljoen liter melk per jaar?

2. Indien het college hiervan op de hoogte is, is het college tevens bekend met de afspraken die in 2005 zijn gemaakt tussen de toenmalige gemeente Niedorp en de directie van FrieslandCampina, zoals vastgelegd in bouwvergunning nr. 4812 (BV 20050019 d.d. 21 april 2005), waarbij nadrukkelijk is aangegeven dat er geen productieverhogingen zouden plaatsvinden die leiden tot extra verkeersbewegingen?

3. De beoogde productieverhoging bedraagt ruim 30 procent. Deelt het college de opvatting dat een dergelijke uitbreiding in de praktijk onvermijdelijk zal leiden tot een aanzienlijke toename van vracht- en verkeersbewegingen van en naar de fabriek?

4. Is het college bekend met het feit dat de huidige verkeersbelasting op de route Valbrugweg – Wateringskant – Mientweg door veel omwonenden reeds als zwaar en verkeersonveilig wordt ervaren?

5. Kan het college inzicht geven in de verwachte toename van verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen uitbreiding, inclusief vrachtverkeer, toeleveranciers en transporten van gereed product?

6. Erkent het college dat de huidige infrastructuur rondom Lutjewinkel niet is ontworpen voor een verdere groei van zwaar verkeer en dat een extra toename ten koste gaat van de verkeersveiligheid, leefbaarheid en het woon- en leefklimaat van aanwonenden?

7. Is het college bereid Friesland Campina te verplichten substantieel bij te dragen aan de realisatie van een alternatieve ontsluitingsroute richting de Hartweg, zoals eerder besproken rond 2015, indien de productieverhoging doorgang vindt?

8. Zo nee, hoe denkt het college dan de gevolgen van de extra verkeersdruk voor omwonenden te kunnen voorkomen?

9. Vindt het college het redelijk dat inwoners opnieuw geconfronteerd worden met meer verkeer en meer overlast, terwijl in het verleden juist afspraken zijn gemaakt om verdere groei van verkeersbewegingen te voorkomen?

10. Is het college bereid de raad actief te informeren over de juridische status van de afspraken uit 2005 en de wijze waarop deze worden betrokken bij de beoordeling van de uitbreidingsplannen?

Antwoorden op vragen over SMR-ontwikkelingen

Op 8 september 2026 heeft onze fractie vragen gesteld over Small Modular Reactor (SMR) ontwikkelingen, naar aanleiding van een memo vanuit het college. Zie hieronder de antwoorden:

1. In het memo staat dat het college kiest voor: ‘waar passend regionaal ondersteunen wanneer
kansen zich voor doen’. Wat voor kansen ziet het college en wat is ‘passend ondersteunen’?

Het college ziet kansen op het gebied van kennisontwikkeling, regionale samenwerking, economische ontwikkeling en de toekomstige energievoorziening van Noord-Holland Noord, waaronder eventuele SMR-ontwikkelingen. Met “waar passend regionaal ondersteunen wanneer kansen zich voor doen” bedoelt het college het waar relevant deelnemen aan regionale gesprekken, het delen van kennis en inzichten en het constructief meedenken over in dit geval SMR-vraagstukken die van belang kunnen zijn voor Hollands Kroon en de regio. Ook kan er worden gedacht aan het steunen van bijvoorbeeld
subsidie- of investeringsaanvragen die een positieve impact kunnen hebben op de regio.

2. Als gemeente Opmeer besluit voor een regionale aanpak te kiezen, ziet het college Hollands
Kroon dan als logische samenwerkingspartner? Zo nee, waarom niet?

Wanneer Opmeer besluit voor een regionale aanpak te kiezen, is het voor het college vanzelfsprekend om eventuele verzoeken tot samenwerking open en constructief te beoordelen. Wanneer zich een concreet initiatief aandient, zal het college beoordelen wat dit betekent voor Hollands Kroon en welke rol en bijdrage passend is.

3. Waaruit blijkt voor het college de faciliterende rol van de provincie?
Dit blijkt onder andere uit het nieuwsartikel van de Energieregio Noord-Holland: IS KERNENERGIE DE TOEKOMST VOOR NOORD-HOLLAND? | Energieregio Noord-Holland

De rol van de provincie
De provincie Noord-Holland ziet haar rol vooral als kennisverzamelaar. Ze wijst geen locaties aan en bepaalt niet of er kerncentrales komen. Wel heeft de provincie invloed op vergunningen en milieuaspecten, zoals natuurbescherming en waterbeheer. “We weten nog niet precies welke vergunningen nodig zijn. Dat wordt onderzocht in een landelijke programma. Zodra hier meer duidelijkheid over is, kunnen we eventueel een volgende stap zetten.” aldus Van der Knaap.

Daarnaast blijkt dit uit de samenwerking die de provincie is aangegaan met Thorizon voor de ontwikkeling van een gesmoltenzoutreactor: Noord-Holland gaat samenwerking aan voor ontwikkeling…

“De provincie ziet de samenwerking als een belangrijke stap voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling op het gebied van nucleaire technologie in Noord-Holland.”

4. In het memo staat: Vragen over kosten, planning, veiligheid, vergunningverlening en effecten op het energiesysteem moeten de komende jaren verder worden beantwoord. Welke vragen heeft het college nog over deze onderwerpen die nog niet beantwoord zijn door de haalbaarheidsonderzoeken in Opmeer, en de Kamerbrieven en routekaart 7GW kernenergie van het Rijk?

Het college ziet daarom nog verschillende vragen waarop naar haar oordeel nog geen definitieve antwoorden beschikbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn:
• de uiteindelijke investerings- en exploitatiekosten van SMR’s in de Nederlandse situatie;
• de planning en realisatietermijnen van eerste commerciële projecten;
• de wijze waarop vergunningprocedures in de praktijk vorm krijgen;
• de gevolgen voor het regionale elektriciteitsnet en de (eventueel) benodigde netuitbreidingen;
• de beschikbaarheid en noodzaak van voldoende koelwater op mogelijke locaties;
• de verdeling van verantwoordelijkheden tussen initiatiefnemers, gemeenten, provincie en Rijk;
• de impact op de leefomgeving en de wijze waarop draagvlak wordt georganiseerd.

 

Het college merkt daarbij op dat veel van deze vragen momenteel onderwerp zijn van landelijke uitwerking door het Rijk, provincies en betrokken toezichthouders. Dit blijkt ook uit de Kamerbrief “Routekaart 7 GW Kernenergie” van 19 juni 2026:

– “Ik heb dan ook afspraken gemaakt met het IPO en de provincies om te starten met potentieonderzoeken, om de toegevoegde waarde van SMR’s in het regionale energiesysteem te onderzoeken. Ik zal de provincies waar nodig ondersteunen bij het in kaart brengen van mogelijke locaties binnen het regionale energiesysteem. In het PEH II, zullen SMR’s in het nationale energiesysteem ruimtelijk onderzocht worden.”

– “Bovendien zie ik dat gemeenten, zoals Opmeer en Den Helder, initiatieven ontplooien. Deze voorbeelden laten zien dat regionale schaal relevant en nodig is, bijvoorbeeld voor het vinden van voldoende afnemers om tot een business case te kunnen komen. De schaalvoordelen zijn makkelijker te vinden op regionaal niveau. Daarom kies ik ervoor om provinciale overheden te ondersteunen in de uitvoering van regionale potentieonderzoeken.”

 

5. Welke kansen ziet het college voor toepassing van SMR’s op specifiek Agriport?

Het college ziet dat Agriport A7 één van de grootste concentraties van energie-intensieve bedrijvigheid in Noord-Holland Noord vormt. Daardoor wordt Agriport A7 in regionale discussies regelmatig genoemd als een locatie waar vraag en aanbod van energie in potentie dicht bij elkaar kunnen komen.
Tegelijkertijd benadrukt het college dat er op dit moment geen concreet SMR-initiatief voor Agriport bekend is. Het college vindt het daarom prematuur om uitspraken te doen over de kansen voor toepassing van SMR’s op specifiek Agriport. Eerst zullen eventuele initiatieven moeten worden beoordeeld op aspecten zoals veiligheid, ruimtelijke inpassing, economische meerwaarde, neteffecten, maatschappelijke meerwaarde en brede welvaart. Dit brengt focus aan en waarborgt dat enkel de meest kansrijke initiatieven worden ondersteund.

 

Met vriendelijke groet,
Burgemeester en wethouders,

H. van der Woude                                                                  A. van Dam
gemeentesecretaris                                                               burgemeester

Toekomst Veerburg Anna Paulowna: LDA stelt vragen

Recentelijk laait de discussie over de toekomst van de Veerburg in Anna Paulowna weer op. De toekomst van het gebouw staat al langere tijd ter discussie, mede door de plannen rond de sportvoorzieningen. Er wordt gekeken naar verschillende mogelijkheden, waaronder het verdwijnen van Veerburg, verplaatsing naar de rand van het dorp of behoud van het dorpshuis op de huidige locatie, maar dan zonder sporthal. De Stichting Hart voor Anna Paulowna heeft enige tijd terug ook aandacht gevraagd voor de Veerburg door in te spreken in het raadscafé.

De gemeente heeft tot nu toe nog geen concrete plannen voor de Veerburg, en heeft ook nog geen kredieten beloofd voor de benodigde verduurzamingsmaatregelen en renovaties. Wat LDA raadslid Hielko Mels betreft is het tijd voor duidelijkheid. Daarom heeft hij onderstaande vragen gesteld aan het college.

Politieke vragen

Geachte leden van het college,

De gemeente Hollands Kroon heeft aangegeven dat er op dit moment nog geen concrete plannen zijn voor de toekomstige invulling van Veerburg. Wel wordt gekeken naar het sportgedeelte, onder meer in relatie tot de sportvoorzieningen van Kleine Sluis. Over het dorpshuisgedeelte geeft de gemeente aan dat dit in principe op de huidige locatie blijft.

Dit roept bij ons de volgende vragen op:
1. Op welke termijn verwacht het college de inwoners van Anna Paulowna en omgeving concrete duidelijkheid te kunnen geven over de toekomst van Veerburg, en specifiek over het dorpshuisgedeelte?
2. Welke stappen onderneemt het college de komende periode om tot een toekomstbestendige invulling van het dorpshuisgedeelte te komen?
3. Is het college voornemens financieel bij te dragen aan renovaties die nodig zijn om de Veerburg toekomstbestendig te maken? Zo nee, waarom niet?

Wij vinden het belangrijk dat er voor de inwoners van Anna Paulowna en omgeving op korte termijn duidelijkheid komt. Veerburg is immers meer dan alleen een gebouw; het dorpshuis vervult een belangrijke sociale en verbindende functie binnen de gemeenschap.

Met vriendelijke groet,
Hielko Mels (LDA)

LDA stelt vragen over SMR-ontwikkelingen

Naar aanleiding van een memo van het college vorige week over de ontwikkelingen rondom kleine kerncentrales (SMR’s) in de regio, heeft de fractie van LDA een aantal vragen aan het college gesteld.

 

Lees hier de memo: Memo raad 26-09-01 Small Modular Reactor ontwikkelingen HollandsKroon – iBabs Publieksportaal

En lees hier de vragen:

Geachte leden van het college,

Op 1 september ontving de raad een memo over Small Modular Reactor ontwikkelingen. In algemene zin stelt onze fractie het op prijs dat het college proactief de raad informeert over SMR-ontwikkelingen in de omringende gemeenten. Onze fractie heeft echter wel wat vragen naar aanleiding van de memo.

 

  1. In de memo staat dat het college kiest voor: ‘waar passend regionaal ondersteunen wanneer kansen zich voor doen’. Wat voor kansen ziet het college, en wat is ‘passend ondersteunen’?

 

  1. Als gemeente Opmeer besluit voor een regionale aanpak te kiezen, ziet het college Hollands Kroon dan als logische samenwerkingspartner? Zo nee, waarom niet?

 

  1. Waaruit blijkt voor het college de faciliterende rol van de provincie?

 

  1. In de memo staat: Vragen over kosten, planning, veiligheid, vergunningverlening en effecten op het energiesysteem moeten de komende jaren verder worden beantwoord.

 

Welke vragen heeft het college nog over deze onderwerpen die nog niet beantwoord zijn door de haalbaarheidsonderzoeken in Opmeer, en de                    Kamerbrieven en routekaart 7GW kernenergie van het Rijk?

 

  1. Welke kansen ziet het college voor toepassing van SMR’s op specifiek Agriport?

 

Met vriendelijke groet,

 

Daan Pruimboom

LDA Hollands Kroon

Beantwoording vragen over staalslakken op o.a. Wieringen

Op 16 juni 2026 heeft LDA politieke vragen (nummer PV-2616) gesteld over Staalslakken

In de beantwoording beroept het college zich op landelijk in onderzoek dat nog niet is uitgekristalliseerd. Waarbij voor duiding en eventuele maatregelen zij grotendeels afhankelijk zijn van die landelijke inzichten.

Hieronder de antwoorden op de vragen:

  1. Heeft u inmiddels meer duidelijkheid verkregen over de gevolgen van het gebruik van staalslak?
    Nee. De landelijke onderzoeken lopen nog en resultaten zijn nog niet beschikbaar.

  2. Is dat een reden voor u om te stoppen met gebruik van materialen waarin staalslak is verwerkt?
    Ja. Uit voorzorg hebben wij het gebruik tijdelijk stopgezet. Dat blijft zo totdat er meer duidelijkheid is.
  3. Zo nee, dan graag een goed onderbouwd antwoord.
    Op enkele plekken kunnen staalslakken zijn toegepast, zonder volledig overzicht. Als we ze bij werkzaamheden tegenkomen, verwijderen we ze. Dat doen we uit voorzorg. Voor een definitieve beoordeling van risico’s volgen wij landelijke richtlijnen en onderzoek.
  4. Wat gaat u doen met de aangetoonde aanwezigheid van staalslakken in het fietspad bij De Hoelm?
    Voor deze locatie hebben wij op dit moment geen objectief vastgestelde informatie die vraagt om ingrijpen. Ook zijn er nog geen landelijke kaders die dat voorschrijven. We wachten die af en blijven alert.
  5. Worden deze, ondanks dat ze niet bij werkzaamheden zijn aangetroffen, verwijderd? Zo nee, waarom niet?
    Op dit moment niet. Daarvoor ontbreekt een duidelijke aanleiding en landelijke onderbouwing. Als nieuwe inzichten daarom vragen, handelen we daarnaar.

Staalslakken aangetroffen op Wieringen: LDA stelt vragen

Onze fractie kreeg een verontrustende melding dat in het fietspad bij de Hoelm richting de Haukes op Wieringen staalslakken zijn aangetoond. Een dame heeft vaak neusbloedingen wanneer ze er gefietst heeft en regelmatig fotografeert. Ook is er een dood lam gevonden. Een van onze leden heeft ter plekke  onderzoek gedaan met een magneet. Deze  bleef daadwerkelijk vast zitten, wat aantoont dat er staalslakken gebruikt zijn in de verharding. Geïrriteerde slijmvliezen en neusbloedingen zijn bekende verschijnselen die kunnen optreden bij het inademen van opgewaaid stof afkomstig van staalslakken. Door uitspoeling zal het bermgras vervuild worden met giftige loodzouten, wat mogelijk de dood van het lam verklaart.

Er zijn steeds meer gemeenten die verharding waarin staalslakken zijn gebruikt verwijderen nu steeds meer bekend is geworden over de negatieve effecten op het milieu en de gezondheidsrisico’s. De staatssecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een tijdelijke stop op het gebruik van staalslakken afgekondigd welke op 23 juli 2026 van kracht wordt. Deze maatregel is bedoeld om onderzoek te doen of het mogelijk is om op een verantwoorde wijze dit materiaal te blijven gebruiken of dat er een verbod op het gebruik van staalslakken moet komen.

Op 30 april 2025 heeft onze fractie vragen (PV-2511) gesteld over het gebruik van duomix, een product dat 85% staalslakken bevat, in Hollands Kroon. Staalslak is in de gemeente ook gebruikt in bermverhardingen. In de beantwoording van onze vragen geeft u aan dat er op dit moment geen aanleiding is om deze te verwijderen. Op de vraag: Nu bekend is dat Duomix een staalslak product is, stopt u er nu mee dit product te gebruiken?  Geeft u als antwoord: We hebben het toepassen ervan in nieuwe projecten ‘on hold’ gezet. Dit in afwachting van meer  duidelijkheid.

Daarom stellen we nu de volgende vragen: 

  1. Heeft u inmiddels meer duidelijkheid verkregen over de gevolgen van het gebruik van staalslak?
  2. Is dat een reden voor u om te stoppen met gebruik van materialen waarin staalslak is verwerkt?
  3. Zo nee, dan graag een goed onderbouwd antwoord.

In de beantwoording van onze vragen wordt ook verwezen naar publicaties in het Noord-Hollands Dagblad en NH nieuws. In uw antwoord aan deze media stelt u: Ook in Hollands Kroon zijn waarschijnlijk op enkele plekken staalslakken gebruikt. Er is echter geen lijst bijgehouden waar dat precies is. Soms komen we staalslakken tegen bij werkzaamheden. In zulke gevallen verwijderen we ze direct. Dit antwoord houdt voor ons in dat u de schadelijkheid van het gebruik van staalslakken erkent.

4. Wat gaat u doen met de door ons aangetoonde aanwezigheid van staalslakken in het fietspad bij de Hoelm?

5 Hoewel deze aanwezigheid niet door werkzaamheden bekend is geworden, worden zij (verwijzend naar uw antwoord aan het NHD en NH nieuws) wel verwijderd? Zo nee, waarom niet?

 

Met vriendelijke groet,

Daan Pruimboom

LDA Hollands Kroon

 

Antwoorden Politieke Vragen Subsidiebeleid HKU

Op 17 december heeft onze fractie vragen gesteld over het subsidiebeleid van de Hollands Kroonse Uitdaging (HKU), naar aanleiding van een afwijzing van een incidentele subsidieaanvraag van Stichting Joods Werkdorp.
De onderbouwing van de afwijzing bleek niet uit de stukken die de gemeenteraad ontving op de lijst ingekomen stukken van de raadsvergadering van 20 november. Hieronder de vragen en de antwoorden:

Op de lijst ingekomen stukken van de raadsvergadering van 20 november jl. staat de subsidieaanvraag,
het besluit op de aanvraag door de Hollands Kroonse Uitdaging en het bezwaar van de Stichting Joods
Werkdorp. Het valt ons op dat in het besluit op de aanvraag de motivering ontbreekt. Er wordt alleen
verwezen naar de geldende criteria. Dit blijkt ook uit het bezwaar van de Stichting. Onze fractie hoort wel
vaker geluiden dat het voor organisaties niet duidelijk is hoe hun aanvraag beoordeeld wordt.
Deze casus roept bij onze fractie de volgende vragen op:

1. Is het gebruikelijk dat er geen motivering wordt gegeven bij een besluit tot afwijzing van een
subsidieaanvraag?

Nee, er wordt altijd een inhoudelijke toelichting gegeven bij beslissingen op een aanvraag. De
vorm; er wordt altijd eerst telefonisch contact opgenomen, in dit gesprek wordt de reden van
afwijzing uitgelegd. Waarna er schriftelijk door de HKU nog een verwijzing naar de criteria wordt
verstuurd. Vanaf februari 2026 vervangen wij deze werkwijze door een integrale
subsidiebeschikking voor elke subsidieverlening- en afwijzing.

2. Zo ja, hoe kan een organisatie dan beoordelen of hun aanvraag terecht is afgewezen? Zo nee,
waarom ontbreekt er in deze casus een beoordeling?

In deze specifieke situatie heeft de stichting in 2025 met verschillende medewerkers en de HKU
gesprekken gevoerd over de concrete behoefte, namelijk structurele dekking van kosten voor
busvervoer en éénmalige dekking van de kosten voor busvervoer van leerlingen in 2026 naar het
Joods werkdorp. Bij die gelegenheid is uitgelegd welke mogelijkheden bestaan voor de
structurele dekking door middel van de subsidiemogelijkheden via Triade en de ontbrekende
mogelijkheden voor een incidentele subsidie binnen het bestaande beleid. De stichting is goed
op de hoogte van de mogelijkheden gebracht en heeft het advies zich aan te melden bij Triade
voor structurele dekking van het aanbod van de stichting ook gevolgd. Voor 2026 (het
overbruggingsjaar) heeft de stichting een aanvraag ingediend bij HKU. Over die aanvraag heeft
overleg tussen HKU en de stichting plaats gevonden, omdat deze aanvraag op basis van de
criteria niet kon worden gehonoreerd. De stichting heeft, ook al was de motivering voor de
afwijzende beschikking voor hen duidelijk, ervoor gekozen door middel van het indienen van een
bezwaarschrift met de gemeente in gesprek te komen. Dit met het oog op het verkrijgen van
dekking van de éénmalige kosten van het busvervoer in 2026. Daarover is met de stichting
gesproken. Bij een strikte toepassing (naar de letter) van het beleid is het niet mogelijk subsidie
te verstrekken vanuit de HKU voor het vervoer van leerlingen naar het Joods werkdorp.
Bij de beoogde herziening van het gemeentelijk subsidiebeleid per 2027 wordt wel in die
structurele mogelijkheid voorzien. Daarop vooruitlopend en een beoordeling ‘in de geest’ van de
regeling maakt het mogelijk voor dit overbruggingsjaar in de dekking van het vervoer te
voorzien.

LDA stelt vragen over het glasinzamelpunt Terpstraat, Wieringerwerf

Geachte leden van het college,

Zoals u wellicht weet is LDA maandelijks zichtbaar in de kernen van de gemeente Hollands Kroon. Niet alleen in verkiezingstijd, maar het hele jaar door gaan wij het gesprek aan met inwoners. Dat levert waardevolle signalen op, maar soms ook hardnekkige zorgen die te lang blijven liggen.

Tijdens zowel ons bezoek in maart 2025 als bij ons meest recente bezoek in december aan Wieringerwerf kregen wij van meerdere inwoners dezelfde verontrustende meldingen over de onveilige situatie bij het glasinzamelpunt ter hoogte van de Albert Heijn aan de Terpstraat. Dit is geen incident of een enkele klacht, maar een terugkerend probleem dat door velen wordt ervaren.
Bij ons eerste bezoek hebben wij inwoners geadviseerd om hiervan melding te maken via het Fixi-meldpunt. Tot onze verbazing en zorg hebben wij moeten constateren dat hier, naar horen zeggen, geen zichtbare opvolging of reactie op is gekomen. Dat is des te schrijnender omdat het hier niet gaat om een cosmetisch probleem, maar om verkeersveiligheid.
De huidige situatie is simpelweg onacceptabel. Wie gebruik wil maken van het glasinzamelpunt, moet zich via een smalle rijbaan tussen geparkeerde auto’s door manoeuvreren. Voetgangers, vaak met glas in de hand, lopen hier letterlijk tussen het rijdende verkeer. Fietsers moeten uitwijken of afstappen. Dit levert potentieel gevaarlijke situaties op, midden in een druk winkelgebied.

Wat deze situatie extra wrang maakt, is dat de oplossing voor de hand ligt en relatief eenvoudig is. Door vanaf de winkelpromenade een directe doorgang te creëren ter hoogte van de AH naar het glasinzamelpunt, kan het punt veilig en logisch bereikbaar worden gemaakt, zonder de rijbaan te hoeven gebruiken. Aangezien de werkzaamheden rondom de Terpstraat nog steeds gaande zijn, lijkt het ons alleszins redelijk om deze aanpassing nu mee te nemen. Juist in een fase waarin de openbare ruimte toch al wordt aangepakt, is dit een kleine ingreep met een groot effect. Of, zoals het gezegde luidt: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Dit brengt ons tot de volgende vragen:

  1. Bent u het met ons eens dat veiligheid in de openbare ruimte begint bij luisteren naar inwoners en het daadwerkelijk handelen naar wat zij ons vertellen?
  2. Zo nee, waarom niet?
  3. Is de voorgestelde oplossing van het creëren van een directe doorgang naar het glasinzamelpunt voor u een acceptabele oplossing om tegemoet te komen aan de klachten dat de huidige situatie als onveilig wordt ervaren?
  4. Zo ja, bent u dan bereid deze uit te voeren en mee te nemen tijdens de nog voortdurende werkzaamheden rondom de Terpstraat?
  5. Zo nee, graag een duidelijke motivatie waarom niet.

LDA stelt vragen over de subsidiebeleid HKU

Op de lijst ingekomen stukken van de raadsvergadering van 20 november staat de subsidieaanvraag, het besluit op de aanvraag door de Hollands Kroonse Uitdaging (HKU) en het bezwaar van de Stichting Joods Werkdorp. Het valt ons op dat in het besluit op de aanvraag een motivatie mist. Er wordt alleen verwezen naar de geldende criteria. Dit blijkt ook uit het bezwaar van de stichting. Onze fractie hoort wel vaker geluiden dat het voor organisaties niet duidelijk is hoe hun aanvraag beoordeeld wordt.

  1. Is het gebruikelijk dat er geen motivatie wordt gegeven bij een besluit tot afwijzing van een subsidieaanvraag?
  1. Zo ja, hoe kan een organisatie dan beoordelen of hun aanvraag terecht is afgewezen? Zo nee, waarom ontbreekt er in deze casus een beoordeling?
Ter verbetering van uw gebruikerservaring wordt op deze website van LDA gebruik gemaakt van cookies.